Kraaijenbergse Plassen

Hieronder volgt een virtuele tocht die alle seizoenen bestrijkt langs de Kraaijenbergse Plassen. Dit gebied vormt wellicht momenteel de absolute hotspot van het werkgebied.

Kleine Zwaan - foto: Harvey van Diek

 

 

 

 

Gebiedsbeschrijving

De Kraaijenbergse Plassen meten ca. 3 bij 4 km en liggen juist ten zuiden van de Maas en ten westen van Cuijk (atlasblok 46-21 en 46-22). De plassen zijn ontstaan door delfstofwinning en vallen geheel onder het gebied van de voormalige Beerse Overlaat, een laag gelegen strook langs de Maas die tot 1942 ‘s winters bij een hoge rivierstand onder water kwam te staan. Het is van oorsprong een rivierkleigebied met diverse waterlopen en enkele hoogten van oude rivierduinen, waarop zich bijvoorbeeld het dorp Linden en het Geesterbos bevinden.

Sinds 1968 wordt er zand, grind en klei gewonnen. Dit heeft geresulteerd in zeven plassen met een wateroppervlak van ruim 300 ha op dit moment (zie kaart). Dit water staat meestentijds via de industriehaven van Cuijk in open verbinding met de Maas. De plassen zijn genummerd van 1 tot 7 in volgorde van ontstaan. Op dit moment wordt er nog gewerkt aan de zuidelijke helft van plas 7. Plas 2 t/m 4 zijn de meest recreatief ingestelde plassen. Plas 5 heeft het predikaat “natuurplas” gekregen en is door een dam van de andere plassen gescheiden. Hier lopen een aantal Galloway-runderen en Exmoor-pony’s rond.

Aan de noordzijde van de plassen vind je de Maasuiterwaarden met gras- en maïsland. Juist ten noorden van plas 5 bevinden zich twee poelen; één ervan is een verveend wilgenmoeras, het zogenaamde Ganzenorgel, de ander is in gebruik als visvijver. Tussen plas 4 en 5 ingeklemd ligt het Geesterbos, een vrij oud eikenhakhoutbos op een zandrug. Het landbouwgebied ten zuiden van de plassen bestaat uit bouw- en grasland met een aantal verspreide meidoornwallen als restant van de bekende Maasheggen. De laatste jaren is men begonnen met grootschalige aanplant van nieuwe hagen.

Where to watch birds in de Kraaijenbergse Plassen

Wat zijn nu de plekken waar je moet zijn? Met andere woorden: hoe zou je een “rondje Kraaijenbergse Plassen” in kunnen vullen? Stel, je begint bij de meest westelijke plas, nummer 5. In de zuidwesthoek van deze plas bevindt zich een hekje dat toegang biedt tot de dijk rond de plas. Hiervandaan kun je een groot deel van het water overzien (zie de sterretjes in de kaart). Een tweede punt vlakbij is de doorkijk in de zuidoosthoek van deze plas, waar je zicht hebt op zanderige slikken. Daarna kan bij een volgende stop een wandeling over de Bult / de Neus (het schiereiland in plas 5) een aanrader zijn.

De weg vervolgend richting oost neem je de eerste afslag links, De Geest. Aan je linkerhand ligt dan het Geesterbos met even verderop een mooi knotwilgenlaantje. Na een scherpe bocht kom je op een plek waar je een goed uitzicht hebt op plas 4 en 6. Verder weer en bij de T-sprong links, de Wielweg in. Na enkele honderden meters stop je bij de slagboom links van de weg. Wanneer je het paadje hier inloopt, kom je uit bij de natuuroever aan de zuidkant van plas 6/7. Als je een slagboom later stopt, ligt het open water van plas 7 aan je voeten.

Dan om de zuidelijke lob van plas 7 heen. Aan de oostkant hiervan is het een kwestie van zo nu en dan de waakdijk rond de plas beklimmen en goed rondturen, zo ook bij de mooi uitgespaarde Steegsestraat, een markant eikenlaantje. En natuurlijk hopen dat de motorcrossers zich gedeisd houden. Via het dorp Linden kom je tenslotte uit op de brug tussen plas 2 en 3, vanwaar je beide plassen goed kunt overzien, evenals het aangrenzende struweel. Eventueel kun je nu nog vanaf de dijk een kijkje nemen in de Maasuiterwaarden, of in de struwelen aan de noordkant van de plassen. Om de cirkel rond te maken volg je de noordkant van achtereenvolgens plas 3, 4 en 5, waarbij je ook het Ganzenorgel (zie sterretje) nog even mee kunt pikken.

Overzichtszichtkaart van de Kraayenbergse plassen

Overzicht van het gebied De Kraaijenbergse Plassen. De cijfers verwijzen naar de nummers van de plassen, zoals ze ook in de tekst gebruikt worden. De sterretjes staan voor de goede vogelplekken (zie kader “Where to watch birds”). Gearceerd: nog uit te graven, nu 2008 reeds uitgegraven.

 

Vogels het jaar rond

Winter

Om te beginnen: de winter (van november tot maart). Deze periode wordt gekenmerkt door een relatief stabiele vogelbevolking. Wat opvalt zijn de grote aantallen Futen, tot wel 140 aan toe. Valt natuurlijk in het niet bij de groepen op Zeeuwse wateren, maar voor een paar binnenlandse plasjes lang niet slecht. De meeste bevinden zich op plas 5, dankzij een goede visstand en de rust aldaar. Goed opletten levert een enkele maal zoiets spectaculairs op als een Roodkeel- of Parelduiker.

Zwanen vinden we in niet al te grote aantallen. Knobbelzwanen foerageren in groepen van enkele tientallen tot ruim honderd in de weilanden, voornamelijk in de uiterwaarden langs de Maas. Kleine Zwanen zijn het vaakst te vinden in de weiden ten zuidwesten van Linden, of soms rustend op Plas 5. De goede waarnemer pikt er zo nu en dan individuen met halsbanden uit. De aantallen wisselen sterk, maar zijn meestal niet hoger dan enkele tientallen. Dit in tegenstelling tot westelijk van Grave gelegen Maasuiterwaarden, waar zich -mede dankzij de rust- soms groepen van meer dan 100 exemplaren ophouden.

Ganzen gebruiken grote delen van het gebied om te foerageren en te rusten. Favoriet zijn de weiden en akkers ten zuidoosten van plas 5 en 6, en de plassen zelf als drink- en slaapplaats. Gedurende de hele winter zijn wisselende aantallen Kol-, Riet- en Grauwe Ganzen aanwezig. Vanaf december domineren de Kolganzen met maximaal zo’n 4500 beesten in januari. Rietganzen blijven steken op een tiende daarvan. Overigens is de eerste soort in de laatste 25 jaar sterk toegenomen, terwijl de tweede min of meer stabiel bleef. De Grauwe komt ‘s winters minder voor dan in het najaar (trekt deels door naar Spanje). Tussen de algemene jongens wordt zo af en toe ook een Roodhalsgans ontdekt. Niet te vergeten tenslotte, de relatief sterkste stijger van de afgelopen kwarteeuw: de Nijlgans. Nu regelmatig aanwezig met tientallen exemplaren.

De plassen -met name plas 5- zijn in dit seizoen uitermate geschikt om de verschillende eendensoorten in al hun kleurenpracht te aanschouwen. Het is niet zozeer de kwantiteit alswel de kwaliteit die het ‘m hier doet. Oftewel: per soort vrij lage aantallen (tientallen tot enkele honderden), maar een groot aanbod van soorten. Daarbij komt dat de waarneemafstand vaak gering is. Over welke eenden gaat het hier dan? Het hele palet aan “gewone” soorten is aanwezig (een elftal), maar dit wordt regelmatig aangevuld met bijzonderheden als Krooneend, Middelste Zaagbek, Eider en zelfs Grote Zee-eend. Voor de liefhebbers hebben we tenslotte nog Mandarijn- en Carolinaeend.

Het gebied herbergt ’s winters een goede populatie Buizerds. Tijdens rivierentellingen zijn er maximaal 22 geteld. Zo nu en dan komt er vanuit de omliggende bossen een Havik in het waterwildgebied “shoppen”, wat soms leuke taferelen geeft als zo’n beest probeert z’n zeearendbrevet te halen.

Dominant aanwezig zijn altijd de Meerkoeten. Langs de oevers van de plassen, maar ook in groten getale in de uiterwaarden van de Maas, waar ze vaak tezamen met Smienten aan het foerageren zijn.

Eveneens in groten getale aanwezig, maar dan om te slapen op de plassen, zijn de meeuwen. Tijdens de meeuwentellingen zijn er zo’n 6.000 geteld, verdeeld over Kokmeeuw (4.000), Stormmeeuw en Zilvermeeuw (ieder 1.000). Daartussen bevinden zich geregeld Geelpootmeeuwen en Pontische Meeuwen.

De besdragende meidoornhagen zitten regelmatig bomvol Merels, Koperwieken en Kramsvogels. In gedeelten van het gebied met ruigere begroeiing, zoals de Bult bij plas 5, en op stoppelvelden, zijn vaak groepen leeuweriken, piepers, vinkachtigen en gorzen te vinden. Een bezoekje aan de Bult kan dan zeer de moeite waard zijn met vele Graspiepers en soms meer dan 200 Groenlingen. Tot de mogelijkheden behoren dan ook zeldzaamheden zoals Strandleeuwerik, Waterpieper, Frater, Sneeuwgors en pleisterende Appelvinken. Verder blijft altijd de kans bestaan op leuke waarnemingen als Grote Zilverreiger, Roerdomp, Wilde Zwaan en IJsvogel.

Voorjaarstrek

De grote aantallen Futen verdwijnen langzamerhand, maar opvallend is dat de Kraaijenbergse Plassen ieder voorjaar enkele van de schaarsere futensoorten weten te trekken. Natuurlijk is de Dodaars een regelmatige gast (in klein aantal), maar ook de Roodhalsfuut wordt frequent waargenomen, soms zelfs twee of drie tegelijk in prachtig broedkleed. Tot een broedgeval heeft het helaas nog niet mogen komen. Daarnaast laat de Geoorde Fuut zich met regelmaat bewonderen, en eenmaal pleisterden er zelfs kort drie Kuifduikers in zomerkleed (mei 1995). Plas 5 speelt ook hier een hoofdrol.

In aanvulling op de toch al uitgebreide eendenlijst arriveren nu de Zomertalingen. Wat geldt voor de meeste eendensoorten, geldt echter ook voor deze mooie taling: het merendeel is pleite voor het echte broedseizoen begint. Al blijven enkelingen wel eens verdacht lang hangen.

De blijvers onder de roofvogels krijgen nu kortstondig gezelschap van hun trekkende neven. Min of meer regelmatige gasten zijn Zeearend, Visarend, Bruine Kiekendief en Boomvalk, terwijl Rode Wouw, Grauwe Kiekendief en Smelleken een enkele maal worden waargenomen.

In zo’n waterrijk gebied verwacht je ook steltlopers. Die zijn er in diverse pluimage. Vooral rond de plassen 5 en 9 zijn regelmatig meerdere soorten aan te treffen. Het voorkomen van steltlopers is echter sterk afhankelijk van de beschikbaarheid aan goede habitats als mooie slikrandjes. Door natuurlijke successie wisselt het aanbod hiervan sterk van jaar op jaar. Zoals bij de eenden geldt ook voor steltlopers dat de aantallen per soort vaak niet erg hoog zijn. Alleen de Kievit zou je echt algemeen kunnen noemen. Daarnaast trekken kleine aantallen ruiterachtigen, snippen en Bonte Strandlopers door. Oeverlopers blijven de laatste jaren steeds vaker tot laat in het voorjaar hangen en vertonen soms zelfs baltsgedrag. Absoluut een potentiële broedvogel met de verdergaande “verwilging” van de oevers. Dankzij de overzichtelijkheid van het gebied lukt het regelmatig schaarsere soorten tussen de algemene te vinden. Dan kun je denken aan Zilverplevier, Kanoet, Krombekstrandloper en Temmincks Strandloper. Ook Steltkluten hebben het gebied aangedaan. En dat er groepjes van 10 Bontbekplevieren waargenomen worden is toch wel bijzonder voor het binnenland.

Tussen de algemene meeuwensoorten duiken zo nu en dan enkele Dwergmeeuwen en Zwartkopmeeuwen op. Van de laatste soort zijn er maximaal 7 tegelijk gezien! Ook Visdiefjes, Zwarte Sterns en zelfs Reuzensterns worden zo nu en dan boven de plassen waargenomen. Geen enkele meeuwen- of sternsoort blijft echter om te broeden.

Voor dit gebied typische doortrekkers onder de zangvogels zijn soorten als Paapje, Tapuit, Beflijster en Gele Kwikstaart. Deze laatste wordt ook jaarlijks door z’n noordelijke broertje vertegenwoordigd. Bij goede zuidoostenwind foerageren soms groepjes van enkele tientallen Noordse Gele Kwikstaarten op insecten in het sappige meigras. Zwaluwen en Gierzwaluwen kunnen in groten getale worden gezien boven de plassen. Met veel geluk kun je soorten tegen het lijf lopen als Strandleeuwerik, Buidelmees en Ortolaan. Tenslotte nog een paar van die krenten: Rotgans, Kraanvogel (zo nu en dan ter plaatse) en Porseleinhoen.

Broedseizoen

De voorjaarstrek loopt naadloos over in het broedseizoen.

De Fuut is ook als broedvogel een algemene verschijning. Zeker op plas 5, waar jaarlijks zo’n 6 paar broeden. Ook de Knobbelzwaan is hier in vrij hoge dichtheden present. Een nieuwe ontwikkeling in het gebied is de vestiging van Grauwe Ganzen. Wellicht heeft de Ooijpolder hier als bronpopulatie gefungeerd. In de nazomer worden namelijk wel ganzen met halsbanden uit de Ooijpolder waargenomen. Ook recent is de aanwezigheid van exoten als Grote Canadese Gans en Nijlgans als broedvogel. Daarnaast zit er in plas 5 een “harde kern” van zo’n 15 Soepganzen met een enkele Kolgans.

Zoals eerder vermeld, geldt voor de eenden dat de meeste het gebied verlaten als het broedseizoen aanbreekt. Alleen de Wilde Eend blijft in redelijke aantallen aanwezig, aangevuld met een enkele Kuifeend en Bergeend. Het blijft voorlopig nog de vraag waar de Zomertalingen broeden die soms tot in mei aanwezig zijn.

Het aantal broedende roofvogelsoorten in het gebied blijft beperkt tot drie à vier. De Buizerd maakt zijn nest onder andere in de hoge populieren langs de Maas en al jarenlang bevindt zich een bewoonde horst in een van de vele eiken in het Geesterbos. De Torenvalk gebruikt naast kasten soms ook een hoogspanningsmast als broedplek. Ook de Havik heeft het gebied inmiddels weten te vinden. Kiekendieven zijn (nog) niet als broedvogel te vinden in dit relatief rietarme gebied.

De Patrijs is nagenoeg geheel verdwenen in het gebied. De aanleg van heggen en ruige stroken, extensief beheer van weilanden en natuurlijke oeverzones komen waarschijnlijk te laat voor deze soort.

De Meerkoet mag hier niet onvermeld blijven. Weinig soorten halen zo’n hoge dichtheid op de plassen. Opvallend is dat Waterhoentjes de plassen juist lijken te mijden en zich vooral vermaken in de diverse waterlopen.

Helaas tiert het weidevogelleven niet al te welig. Integendeel: een paar Kieviten, een Scholekster en een Wulp en dan hebben we het gehad! Grutto en Tureluur zijn ver te zoeken. Waarschijnlijk speelt verdroging hier een negatieve rol. Zo zijn er weinig natte graslandjes te vinden. Wel positief was de vestiging van enkele paren Kluten bij plas 7 op de kale zandplaten. Dit bleek van tijdelijke aard. De soort broedt thans niet meer bij plas 7. Er is wel hoop dat wanneer de afwerking van plas 7 is afgerond en nieuwe eilandjes zijn ingericht zowel de Kluut als de Visdief er gaat broeden. Zandplaten en andere kale oevers (plas 5) trekken ook Kleine Plevieren, waarvan er jaarlijks ca. 3 paar in het gebied broeden. Spannend is wat er in de toekomst zal gebeuren met de Oeverloper die in tegenstelling tot de twee voornoemde soorten wel gebaat is bij oevers met opgaande begroeiing.

De trots van het Maasheggengebied, de Steenuil, lijkt te wankelen maar is nog steeds aanwezig. De IJsvogel duikt met enige regelmaat in het gebied op. Wat valt er op onder de zangvogels? Als eerste de Oeverzwaluw. Toch een Rode-Lijstsoort die jaarlijks in het gebied broedt. Aanvankelijk was de soort afhankelijk van de ontzanders. Inmiddels is er een oeverzwaluwenwand geplaatst op de noordwestelijke oever van plas 7.

Weidezangvogels als Veldleeuwerik, Graspieper en Gele Kwikstaart komen er bekaaid vanaf. Wellicht spelen ook hier de intensivering van de landbouw en de verdroging een negatieve rol. De eerstgenoemde soort broedt overigens vooral in het biologisch beheerde akkerland.

Blauwborst en Roodborsttapuit nemen beide toe, maar om verschillende redenen. De Blauwborst profiteert van de verwilging van de oevers van plas 5 en 7 . De Roodborsttapuit lijkt wel te varen bij de nieuw aangelegde hagen in het agrarisch gebied. De Grasmus is in bepaalde gedeelten van het gebied in hoge dichtheden aanwezig. Daarnaast doet ook de Bosrietzanger het erg goed. Een recente nieuwkomer is de Sprinkhaanzanger, die nu geschikte habitat vindt in de natuuroevers aan de zuidkant van Linden. Ook Rietgors, Rietzanger en Blauwborst hebben deze plek weten te vinden. Huismus, Ringmus en Spreeuw hebben te lijden onder vérgaande “opknapzucht” van de boeren en buitenlui. Een toekomstdroom blijft voorlopig de Grauwe Gors en de Buidelmees.

Najaar

In de nazomer wordt het gebied een verzamelplaats voor Grauwe Ganzen (tot 500), ruiende eenden in eclipskleed (tot 800), Kieviten (tot 2000) en meeuwen. Naast vaak enkele honderden Zilvermeeuwen pleisteren ook tientallen Kleine Mantelmeeuwen. Met name plas 5 en 7 bezitten in de nazomer een flinke biomassa aan waterwild. Dit is ook de tijd dat weer zo nu en dan een Roodhalsfuut opduikt, en dat bijzondere soorten worden gezien als Kleine Zilverreiger, Roodpootvalk en Duinpieper (de laatste vrijwel jaarlijks).

Later in het najaar komen kleine aantallen Aalscholvers profiteren van de goede visstand. En regelmatig bevinden zich dan ook enkele Casarca ’s in het gebied.

In geringe mate vindt doortrek van roofvogels plaats. Naast de nodige Buizerds en Sperwers worden zo nu en dan Visarenden, Rode Wouwen, Boomvalken en een enkele Slechtvalk overtrekkend gezien.

Steltlopers komen nooit in grote aantallen voor. De beste plekken zijn de kale slikrandjes op plas 5 en de eilandjes bij plas 7. Het zijn voornamelijk soorten als Groenpootruiter en Watersnip (soms een Bokje) en schaars wat strandlopers. Hieronder zijn wel leuke soorten als Temmincks Strandloper en Drieteenstrandloper. Wat opvalt is dat er grote verschillen tussen jaren zijn in de aantallen en de verscheidenheid aan soorten. Dit ligt niet alleen aan de eerder genoemde verschillen in aanbod van geschikte habitat, maar ook aan de windrichting. In goede jaren kunnen Bonte Strandloper, Zilverplevier, Poelruiter en Gestreepte Strandloper gezien worden. Topper was de Steppevorkstaartplevier.

Gedurende het hele najaar kunnen tussen de grote meeuwen een aantal Pontische Meeuwen en Geelpootmeeuwen worden gevonden. Deze laten zich vooral goed bekijken vanaf de zandwal aan de Steegstraat, die mooi uitzicht biedt op de zandplaten waar de meeuwen rusten. Je hoeft geen echte kenner te zijn om ze er hier uit te pikken! Tussen de grote meeuwen houden zich vaak honderden (soms duizenden) Kok- en Stormmeeuwen op.

Natuurlijk trekt het gebied ook de nodige zangvogels. Wat opvalt zijn de clubjes Veldleeuweriken op de akkers en de groepen lijsterachtigen die worden getrokken door de grote hoeveelheid aan bessen in de meidoornhagen. Putters foerageren op de uitgebloeide distels, terwijl Paapjes en Grote Gele Kwikstaarten het gebied slechts kortstondig aandoen.

Zwarte Zeeeend - foto: Harvey van Diek Kuifduiker - foto: Harvey van Diek
Grote Zeeeend - foto: Harvey van Diek

 

Share Button